Dag 1 – woensdag 19 augustus 2026 - Zandsculpturen - Arnhem - Gorinchem
We zijn rond elf van huis door de taxi opgehaald, welke ons
naar Uitgeest heeft gebracht. Na een kopje koffie en na een korte kennismaking
zijn we met de bus naar Garderen gereden voor een bezoek aan de Zandsculpturen. Het thema is dit jaar “Het Romeinse Rijk”.
Ingang Zandsculpturen Garderen
Iedere jaar staat een nieuwe tentoonstelling klaar. Geïnspireerd op een verassend thema en vormgegeven door internationale zandkunstenaars. Het thema voor 2026 is het Romeinse Rijk in Zand. We worden meegenomen naar de tijd van de gladiatoren, keizers en grootse bouwwerken.
Een impressie van diverse zandsculpturen.
De sculpturen vertellen over het dagelijks leven in Rome, de legendarische veldslagen, het vermaak in het Colosseum en de geniale bouwkunst van aquaducten en wegen. we staan oog in oog met Julius Caesar, Marcus Aurelius en andere historische figuren die hun stempel drukten op de geschiedenis.
Na het bezoek aan zandsculpturen in Garderen begeven we ons richting Wageningen. Het schip
ligt afgemeerd in Wageningen, Het Stek.
De Johan Strauss ligt al 4 weken door de lage waterstanden vast op de Donau en is derhalve niet beschikbaar voor onze 10 daagse reis “De Lage Landen”. Als alternatief heeft Feenstra ons de “Antonio Bellucci” aangeboden.
De Antonio Bellucci, gebouwd in 2012, is 110 meter lang, 12 meter breed en biedt plaats aan 140 passagiers in 70 hutten. Licht, comfort en ruimte stonden centraal bij de bouw van dit schip. De marmeren vloer, de trap met kroonluchters en de smaakvol ingerichte lounge creëren een bijzondere sfeer die alle verwachtingen overtreft. De lounge heeft een modern interieur en dankzij het hoge plafond en de grote ramen valt het zonlicht er ongehinderd naar binnen. Het elegante restaurant bevindt zich op het Da Vinci-dek, dat eveneens grote ramen heeft. Bij mooi weer kunt u ontspannen op het zonnedek, dat is uitgerust met stoelen, ligstoelen en zonneschermen. Tot slot is er de Captains Corner, een elegante tweede lounge achterin, waar we kunnen genieten van een kopje koffie bij de open haard of televisie kunt kijken.
Op het luxueuze jacht Antonio Bellucci zijn de
70 hutten verdeeld over drie dekken. Alle hutten beschikken over een
tweepersoonsbed dat in tweeën kan worden gedeeld en zijn zeer ruim en goed
ingericht. Wat betreft de maaltijden: de dag begint met een uitgebreid
ontbijtbuffet, de lunch wordt aan tafel geserveerd met een driegangenmenu, maar
we kunnen ook kiezen uit een verscheidenheid aan gerechten van het buffet. Het
viergangendiner wordt aan tafel geserveerd en we kunnen kiezen uit diverse
voorgerechten, hoofdgerechten en desserts.
Het schip is vernoemd naar Antonio Bellucci (19 februari 1654 – 29
augustus 1726) was een Italiaanse soldaat die schilder werd uit de
Rococoperiode en vooral bekend is om zijn werk in Engeland, Duitsland en
Oostenrijk. Hij was een van de vele Venetiaans opgeleide kunstenaars van zijn
tijd, waaronder Ricci, Tiepolo, Amigoni en anderen, die opdrachten zochten in
het noorden van Italië en opdrachtgevers voorzagen van de toen populaire
Italiaanse grootse fresco's voor privépaleizen.
De route brengt ons langs Rijnhaven van Wageningen, Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek, Stuwkanaal Hagestein, Merwedekanaal (bezuiden de Lek), Verbindingskanaal tussen het Merwedekanaal en de Linge bij de Arkelsche Dam, Linge om dan komen we om 2 uur 's nachts aan in Gorinchem.
Gorinchem, uitgesproken als Gorkum en officieus ook wel
geschreven als Gorcum of Gorkum, is een stad en gemeente in de Nederlandse
provincie Zuid-Holland.
Dag 2 – donderdag 20 augustus 2026 - Gorinchem - Willemstad
We brengen de ochtend door in Gorinchem, een charmante
vestingstad met stadswallen, poorten en een mooi historisch centrum. In de loop
van de middag bereiken we Willemstad. Om half vier staat een rondleiding door
Willemstad gepland.
De vaarroute brengt ons via het Merwedekanaal, Hollandsdiep
naar Willemstad.
Om half vier start de stadswandeling door Willemstad.
In de 16e eeuw liet Willem van Oranje Ruigenhil
versterken tot vesting. Zijn zoon Prins Maurits verleende de plaats vervolgens
in 1585 stadsrechten. Zo werd “Willems stad” officieel Willemstad. De
stadsmuren, bastions en grachten vormen nog altijd een herkenbaar sterpatroon.
Willemstad toonde zijn kracht in 1793 door een Frans beleg
te doorstaan. Maar na de val van Bergen op Zoom moest Willemstad toch
zonder verdere strijd worden opgegeven. In tegenstelling tot de andere
vestingsteden van het Zuider Frontier bleef Willemstad ook in de
Franse tijd zijn strategische belang houden. De focus van de verdediging was nu
echter niet zuidwaarts, maar westwaarts gericht, naar Engeland. Willemstad was
van 1809 tot 1813 een kernvesting in de Franse kustverdediging.
De Belgische Erebegraafplaats Willemstad is
een militaire begraafplaats gelegen aan het Hollandsch
Diep in de Nederlandse plaats Willemstad. Op de begraafplaats
liggen 159 doden uit de Tweede Wereldoorlog begraven, afkomstig
uit België. De meesten, 134, waren krijgsgevangenen van de
Duitsers en werden per schip naar gevangenkampen vervoerd. Zij kwamen om toen
hun schip, de Rhenus 127, op 30 mei 1940 op een mijn liep. Een deel van de
slachtoffers was eerder begraven op het kerkhof achter de Hervormde kerk van
Willemstad; dat kerkhof raakte vol en mede om redenen van volksgezondheid werd
besloten tot ingebruikname van een nieuw massagraf aan het Hollandsch
Diep.
Het Mauritshuis in het Noord-Brabantse Willemstad is een rijksmonument uit de zeventiende eeuw. Lange tijd was het een militair hospitaal, een marechausseekazerne en, na restauratie, het stadhuis van Willemstad. Sinds 2021 herbergt het een bezoekerscentrum, een toeristisch informatiepunt en een erfgoedmuseum.
D’orangemolen.
Gebouwd in 1734 in opdracht van de Prins van Oranje ter
vervanging van de verouderde standermolen. Nadat de molen in 1795 door de
Bataafse rebubliek geconfisqueerd werd, kwam deze in het bezit van een reeks
molenaars tot deze in 1963 een woonfunctie kreeg - maar bleef geheel
maalvaardig. In 1920 werd de stenen graanopslag aan de molen gebouwd.
Na schade opgelopen tijdens de bevrijding in
1945 vonden er meerdere restauraties plaats.
Vanaf de 8 meter hoge stelling draait de molenaar het
wiekenkruis met een lengte van 25 meter in de wind. De regenzijde is wit
gepleisterd.
De molen wordt wekelijks 'voor de Prins' gedraaid door een
professionele molenaar. Weet je dat het molenaarsambacht is immaterieel
cultureel erfgoed van UNESCO?
In 1734 werd besloten tot de bouw van een nieuwe stenen windkorenmolen. Dit naar aanleiding van klachten en waarschuwingen van de molenaar over de toestand van de standermolen. Er werd gezocht naar de beste standplaats hiervoor. Die vond men op de Oostdijk (nu Bovenkade), waartoe twee huisjes werden aangekocht en gesloopt.
Koepelkerk Willemstad
Het was de eerste kerk, ontworpen door Coenraat Norenburch,
in de noordelijke Nederlanden die speciaal voor protestantse diensten werd
gebouwd. De bouw begon in 1597 en werd in 1607 voltooid. Prins Maurits verleend
financiële steun voor de kerk, op voorwaarde dat deze in een ronde of achtkante
vorm zou worden gebouwd. De kerk wordt tegenwoordig gebruikt door de Hervormde
gemeente/PKN en is een rijksmonument. Bij de kerk is een kerkhof.
Pas in 1590 kreeg de Willemstadse meestermetselaar Andries
de Rooij opdracht om een ontwerp voor een kerk te maken. Dit ontwerp verdween
echter voorlopig in een la. Op 2 augustus1594 werd aan de Middelburgse
timmerman meester Adriaan de Muyr opdracht gegeven opnieuw een ontwerp in
dienen. Zes weken later stuurde hij al per schip een houten model van de kerk.
Niet bekend is of hij dat vervolgplan gebaseerd heeft op het
vorige plan van De Rooij, maar waarschijnlijk heeft hij alleen de kap
ontworpen. Als derde werd ingeschakeld de Dordtse steenhouwer Coenraat
Norenburch. Deze vergrootte het model van De Muyr en voegde er een toren aan
toe. Hierna werd Andries de Rooij weer ingeschakeld, die het definitieve plan
maakte. Prins Maurits gaf voor de bouw van de kerk een totale subsidie van f
7.000, overigens uit de hem toekomende Willemstadse belastinggelden.
Hij herhaalde bij de toekenning hiervan zijn wens dat de
kerk in een 'ronde ofte achtcantige forme zal ende behoort gemaeckt te worden‘.
De nieuwe kerk, die de eerste voor protestantse eredienst
gebouwde kerk in Nederland zou Worden, moest zich onderscheiden van de meestal
kruisvormig gebouwde katholieke kerken. Ook moest aan de eis Worden voldaan dat
van alle plaatsen de kansel gezien en de preek gehoord moest worden. Aan een
dergelijke eis voldeed een zaalkerk.
Voorts was er oorlogsschade in november 1944. De kerk zou in 1950 opnieuw in gebruik Worden genomen, maar vlak daarvoor brak brand uit door loodgieterswerkzaamheden. Ook de inventaris ging hierbij verloren. De kerk werd vervolgens herbouwd. Ze kreeg een preekstoel uit 1659, die afkomstig was uit de kerk van Hoogvliet, terwijl enkele banken van omstreeks 1670 uit de hervormde kerk van Graft afkomstig zijn.
Vanaf de kerk loopt de Voorstraat. In de volksmond wordt deze ook het trouwlaantje genoemd. Dit laantje liep door naar het Raadhuis, waar het huwelijk voor de ambtenaar van de Burgerlijke stand werd voltrokken.
Het Oude raadhuis is een gebouw in renaissancestijl dat zich bevindt aan de Raadhuisstraat 2 te Willemstad. Het bouwwerk kwam tot stand in 1587. Oorspronkelijk wenste Prins Maurits dat er een kerk én een raadhuis zou worden gebouwd in het nog jonge dorp. Vanwege de oorlogssituatie was daarvoor geen geld.
Aldus werd een soort multifunctioneel raadhuis ontworpen waarin men ook kerkdiensten kon houden en dat voorzien was van een toren met luidklok. De kleine klok werd gegoten door de Utrechtse bronsgieter Thomas Both. Deze droeg het opschrift: Soli Deo Gloria – Thomas Both me fecit 1588. Ze werd in 1610 overgebracht naar de rond die tijd gereed-gekomen Koepelkerk. De grote klok, die nog steeds in de raadhuistoren hangt, stamt vermoedelijk uit het einde van de 12e eeuw en is daarmee wellicht de oudste nog bestaande luidklok in Noord-Brabant. Deze klok werd in 1943 nog door de bezetter gevorderd, maar ze werd niet omgesmolten en kon in 1945 weer terug in de toren worden gehangen.
In de toren bevind zich ook een roepstoel, voorzien van een bakstenen stergewelf. De boven de roepstoel aangebrachte wapensteen werd in 1798, tijdens de Bataafse Republiek, verwijderd.
Op het dak werd in 1588 een windvaan geplaatst in de vorm van een meerman met zwaard. In 1620 werd het -tot dan toe eenvoudige- gebouw verfraaid met een Vlaamse gevel, naar een ontwerp van Frans Leenwijnsse. Er kwamen enkele dakvensters in de nieuwe kap en de zolder ging fungeren als bewaarplaats voor gereedschap van oorlog, zoals hellebaarden en dergelijke.
De wapenstenen in de gevel werden in 1798 eveneens verwijderd, om in 1937 weer te worden aangebracht. In 1786 onderging het gebouw een algehele restauratie, waarbij de oude stenen moesten worden schoongemaakt opdat het gebouw één egale, uniforme en sierlijke couleur zou bekomen. In 1812 werd de torenspits afgebroken, daar op de toren een semafoor van Chappe geplaatst, welke in 1815, na de val van Napoleon, weer verwijderd werd, waarop de spits werd herbouwd. In 1973 werd het raadhuis verplaatst naar het Mauritshuis, om in 1999 door de gemeente Moerdijk te worden verkocht. Het werd gekocht door een particulier en gerestaureerd, om in 2005 te worden heropend.
In WiIIemstad zouden prostituees ‘rozemarijntjes’ worden genoemd. Zierikzee, Haarlem, Goes, Arnhem, Elburg en Den Briel kenden een Roosmarijnstraat In het oude centrum. Van Den Briel weten we niet zeker of de Roosmarijnstraat in de zeventiende eeuw een straat met bordelen was, maar volgens een medewerkster van het streek archief woonde daar In de negentiende eeuw zeker één prostituee. In Breda stond het bekend als een vuile straat, maar dat was Ietterlijk bedoeld. Mogelijk had men er schertsend een ‘lieflijke’ naam voor bedacht. In Leiden had men ook zo’n Roos- of Stinksteegje.
Dag 3 – vrijdag 21 augustus 2026 - Willemstad - Antwerpen
Vannacht laten we Willemstad achter ons. We varen via het Schelde-Rijnkanaal en de Schelde naar Antwerpen waar we tijdens het ontbijt aankomen.
Vanuit de boot maken we een rondwandeling in het centrum van Antwerpen.
Station Antwerpen-Centraal (door de Antwerpenaren ook wel Centraal Station, Middenstatie of Spoorwegkathedraal genoemd, en algemeen ook ingekort tot Antwerpen-Centraal) is het centraal station aan het Koningin Astridplein in Antwerpen. Van 1873 tot begin 2007 was het een kopstation waar alle treinen hun rijrichting moesten keren. Op 23 maart 2007 werd onder een deel van de stad en onder het station een tunnel met twee doorgaande sporen geopend.
Het Koningin Astridplein werd volledig heraangelegd
gedurende de werken voor de Noord-zuidverbinding. De heraanleg is
omstreden door een aantal ernstige ongevallen met trams in de loop
van de jaren 2006 en 2007.
Aan het Koningin Astridplein is tevens de ingang van de dierentuin van Antwerpen gevestigd. Boven op het gebouw staat een standbeeld van een man op een kameel.
Het beeld is ontworpen door Josuë Dupon. Josuë Dupon werd vooral bekend als
beeldhouwer van realistische beelden van exotische dieren. De plaatsing van
zijn Kameeldrijver en van twee bronzen groepen aan de ingang
van de Zoo van Antwerpen bevestigde die reputatie.
In Antwerpen is een stadsdeel, genaamd de Chinese Wijk. Het is te herkennen aan de Chinese poort.
De Van Wesenbekestraat is een straat in Antwerpen die vooral bekend is vanwege de Chinese gemeenschap die er gevestigd is. Toeristen in Antwerpen noemen deze buurt weleens Chinatown. De Van Arteveldestraat maakt dan ook deel uit van de Chinese buurt. Hoewel deze twee straten behalve veel Chinese zaken ook veel Thaise en Filipijnse zaken bevat, wordt het toch een Chinatown genoemd. Antwerpen heeft de grootste Chinese winkelbuurt van België.
Het Steen is een deel van een voormalige ringwalburg aan de rechter Schelde-oever in de stad Antwerpen. Het gebouw is sinds 2021 een toeristisch onthaalcentrum voor de stad Antwerpen.
Het Steen, het oudste bewaarde gebouw van Antwerpen, werd
gebouwd tussen 1200 en 1225 als poortgebouw van de Antwerpse burcht. Het
huidige gebouw beslaat minder dan 5% van de oppervlakte van de oorspronkelijke
burcht. Binnen de burcht bevonden zich belangrijke instellingen zoals
de Vierschaar (de voormalige rechtbank op de hoek van de
Mattenstraat), de Sint-Walburgiskerk (ook bekend als burchtkerk), het
Bezaanhuis, het Reuzenhuis, de refuge van de Benedictijnerabdij van
Affligem die ook als pastorij van de burchtkerk fungeerde (de laatste drie
in de Mattenstraat), het Steen, de Werf en juist buiten de burcht de
Vismarkt. Rond 1520, ten tijde van Karel V, werd het poortgebouw van de
burcht grondig verbouwd en noemde men het voortaan 's-Heeren Steen. In
1549 schonk Karel V het gebouw aan de stad, die het tot 1828 in eigendom had.
Van 1303 tot 1823 werd het gebouw
als gevangenis gebruikt. Er vonden soms ook terechtstellingen
plaats, zoals de geheime verdrinkingen van hervormingsgezinden in de jaren
1557-1565. Vanaf 1823 diende het Steen als tehuis voor invalide soldaten. Nadat
de overheid het gebouw in 1827 had opgeëist, werd het een jaar later aan een
houtzager verkocht. In 1842 kocht de stad het gebouw echter weer terug.
Bij de ingang van
Het Steen staat een standbeeld van Lange Wapper.
Lange Wapper wordt dikwijls lang en dun voorgesteld. In strips en cartoons wordt zijn baardeloze kin vaak erg geaccentueerd.
De kwelgeest komt 's nachts tevoorschijn en
achtervolgt de dronkaards. Eerst als een klein mannetje, maar hij kan zichzelf
steeds groter en groter maken, tot hij boven de huizen uitsteekt. Als de
dronkaard, hijgend en zwetend, thuiskomt kijkt Wapper door het raam naar
binnen.
Soms vermomt hij zich als een klein kind om moedermelk te
kunnen drinken. Als een moeder dit kind meeneemt om te verzorgen en in een
wiegje te stoppen, laat Lange Wapper zichzelf zo groot groeien dat hij niet
meer in de kamer past.
Een hond van
Vlaanderen (originele titel: A Dog of Flanders)
is een roman van de Engelse schrijfster Marie Louise de la Ramée, ook
bekend onder het pseudoniem Ouida. Het verhaal beschrijft de lotgevallen
van een jongen genaamd Nello en zijn hond Patrasche.
Nello is een arme weesjongen in een arm boerendorp aan de rand van de stad Antwerpen. Zijn moeder (die afkomstig is van de Ardennen) sterft als hij twee jaar oud is, en Nello blijft achter in de handen van zijn grootvader Johan Daas, een oude man die nog gevochten heeft in het leger van Napoleon.
Elke dag vervoert hij met zijn grootvader
verse melk van de boerderij naar de burgers in de stad. Op een dag
vinden ze langs de weg een door mishandeling uitgeputte trekhond,
'Patrasche', die daar achtergelaten is door zijn meester. Nello en zijn
grootvader vangen het dier op. Nello en Patrasche worden een grote hulp voor de
steeds ouder en zieker wordende Johan, die de melkhandel steeds meer moet
overlaten in de handen van Nello en zijn hond. Desondanks ontwikkelt Nello zich
als een gelukkige jongen: hij schept een intense vriendschapsband met zijn hond
en het dochtertje van de lokale molenaar, Alois.
Bovendien blijkt Nello een begenadigd tekenaar te zijn.
Tijdens zijn bezoeken aan de kathedraal van Antwerpen staat hij vol bewondering
voor de schilderijen van Rubens, die voor hem een groot voorbeeld blijken
te zijn. Hij is dan ook misnoegd als blijkt dat de twee schilderijen van de
kruisafneming, op de zijaltaren, verborgen blijven voor het niet-betalend
publiek, er vast van overtuigd dat Rubens het zelf nooit zo zou hebben gewild.
Op een dag ziet hij in een tekenwedstrijd een kans om zijn talent te tonen aan
de wereld.
De molenaar is niet echt opgetogen met de vriendschap tussen
zijn dochter en Nello en probeert zijn dochter weg te houden van de jonge
armoedzaaier. Nello's grootvader overlijdt en als de bijgebouwen van de molen
afbranden krijgt Nello bij overmaat van ramp al snel de schuld op zich
geschoven, waardoor hij zijn melk niet meer kan verkopen. Nello staat al snel
op straat. Als hij verneemt dat hij ook de tekenwedstrijd, waar hij zijn
laatste hoop op had gevestigd, niet heeft gewonnen, stort hij zich op
kerstavond teleurgesteld neer in de kathedraal van Antwerpen. Hij sterft van
ontbering, met zijn hond in de armen gekluisterd, terwijl het maanlicht de
kruisafneming van Christus voor zijn ogen ontsluiert.
De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal is een kathedraal in de Belgische stad Antwerpen. De kathedraal staat met haar in het westen gelegen hoofdingang aan de Handschoenmarkt, met haar zuidingang aan de Groenplaats en met haar noordingang aan de Torfbrug. Het is de hoofdkerk van het bisdom Antwerpen en is gewijd aan Maria. De kathedraal is gekend als bedevaartsoord van Onze-Lieve-Vrouw van Antwerpen.
De kerk was een kathedraal tussen 1559 en 1803 en is het terug vanaf 1961 tot heden. De toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal is als onderdeel van een groep van 56 belforten in België en Frankrijk opgenomen op de lijst van wereld-erfgoed van UNESCO. Een klein deel van de kathedraal is gratis. Voor een bezoek aan de kathedraal wordt 12 euro per persoon gerekend.
Antwerpen bruist van kunst, architectuur en bourgondische sfeer. Wandel langs de kathedraal, bewonder de gildehuizen op de Grote Markt of proef echte Belgische chocolade.
In 1250 kon de oorsprong van de naam "Antwerpen" niet worden achterhaald. De legende van Druon Antigoon ontstond. In 1312 bevrijdde Antwerpen zich van de heerschappij van de hertog van Brabant (zie Charter van Kortenberg). In 1358 kwamen het markgraafschap Antwerpen en de heerlijkheid Mechelen even onder het graafschap Vlaanderen.
De legende van de reus Druon Antigoon ontstond in de
middeleeuwen als een volksverhaal om de naam van de stad Antwerpen te
verklaren. Volgens de sage eiste de wrede reus hoge tol van schippers en hakte
hij de hand af van wie niet betaalde, tot de Romeinse soldaat Silvius Brabo hem
versloeg en zijn hand in de Schelde wierp.
Dag 4 – zaterdag 22 augustus 2026 - Antwerpen - Gent
Via de Westerschelde, met de sluizen Boudewijnsluis, Kallosluis, Van Cauwelaertsluis, Kanaal van Gent naar Terneuzen met de Zijkanalen en havens, Middensluis, Terneuzen, brug over buitenhoofd, nieuwe sluis Terneuzen, Sluiskil, Sas van Gentbrug, komen we aan in de haven Gent.
We zijn aangemeerd aan het Grootdok in de haven van Gent.
Eerdere berichten gaven aan dat de Johann Straus in Gent zou
aanleggen, echter vanwege de lage waterstand zal het schip in de Gentse
zeehaven aanmeren en worden de passagiers middels een bus naar het centrum van
Gent gebracht.
Vandaag staat Gent centraal. Na een korte busrit stoppen we
in het centrum van Gent, waar de gids klaar staat om ons mee te nemen voor een
1,5 uur durende stadswandeling.
Bij het begin van de stadswandeling staan we stil bij de “Pomp van Napoleon”, gelegen aan de Zandberg.
In 1684 werd hier een pomp geplaatst op de plek waar zich van oudsher een waterput bevond. In 1810 werd deze vervangen door een 6 meter hoge obelisk die rust op een dekplaat waaronder een pomp met waterbekkens.
De plannen voor dit kunstwerk werden getekend door de
toenmalige stadsarchitect Pierre-Jean de Broe (1761-1852). De uitvoering werd
op 3 maart 1810 toegewezen aan de Brusselse steenhouwer Joseph Lefran
(overleden 1816).
Op de top van de obelisk
zit als symbool van het eerste Franse Keizerrijk een adelaar op een bol. Dit
werk werd uitgevoerd door de Gentse beeldhouwer Charles van Ophem. Het is nog
het enige gedenkteken dat verwijst naar de napoleontische tijd in Gent. Hoewel
op 16 februari 1814, na de val van het imperium, het bevel werd gegeven om alle
decoraties die herinnerden aan de Franse overheersing te verwijderen, werd deze
adelaar blijkbaar vergeten.
De vogel viel echter op 2 juni 1944 van de obelisk. Het Gentse stadsbestuur besloot om een replica te laten maken door de Gentse beeldhouwer Olivier Piette. Op 16 mei 1947 werd het bronzen afgietsel boven op de te top van de obelisk geplaatst.
Drie welbekende torens domineren de skyline van Gent. Vanop
de Sint-Michielsbrug kan je ze zelfs allemaal op één plaatje kieken: de
Sint-Niklaaskerk, het Belfort en de Sint-Baafskathedraal. Dat levert een
machtig romantisch beeld op. Een al minstens even iconisch Gents monument ‘van
formaat’, de Boekentoren, is trouwens ook een bezoek én foto waard.
Door allerlei straatjes, komen we op het St. Baafsplein bij
de Sint-Baafskathedraal.
Sint-Baafskathedraal, Gent
Wie Jan van Eyck zegt, zegt het Lam Gods. Dit meesterwerk heet voluit De Aanbidding van het Lam Gods. En dat Gentse altaar staat in de Sint-Baafskathedraal. Van Eyck schilderde dit veelluik met de kathedraal in het achterhoofd. Toen het werk was voltooid in 1432, kreeg het daar meteen een ereplaats. Bijna zes eeuwen later is het er nog steeds thuis.
De middengroep van de
preekstoel bestaat uit twee allegorische figuren; duidelijk geïnspireerd op het
werk van Lorenzo Bernini (1598-1680) stellen zij ‘De Waarheid ontsluierd door
de Tijd’ voor. Achter de figuren ondersteunt een boomstam de kuip. Van de twee
trappen die tot het gestoelte leiden, wordt elke trap geflankeerd door een
engel met het wapenschild van bisschop Antonius Triest.
Drie marmeren reliëfs sieren de kuip; ze stellen de geboorte van Jezus, de bekering van Paulus en de bekering van de heilige Bavo voor. Twee appelbomen dragen het klankbord dat met een draperie is behangen. Bovenaan torsen twee engeltjes een groot kruis.
Op onze wandeltocht passeren we het Gravensteen.
Het Gravensteen is erkend museum van een versterkte waterburcht, gelegen in de Oost-Vlaamse stad Gent met een vrijwel intact verdedigingssysteem. Het huidige kasteel in beheer van Historische Huizen Gent dateert uit 1180 en was de residentie van de graven van Vlaanderen tot 1353. Het werd oorspronkelijk nieuw slot ('novum castellum) genoemd. Het werd later herbestemd als rechtbank, gevangenis, muntdrukkerij en zelfs als katoenfabriek. Het werd in 1893-1903 gerestaureerd.
Geschiedenis
Voor de bouw van een versterking kozen de graven van Vlaanderen voor een hoge zandduin met moerassige oevers te midden van de Leie-armen. Deze plek had al eerder kortstondige bewoning gekend in de Romeinse tijd (tijdens de 1e-2e eeuw), maar werd daarna opnieuw verlaten.
Graaf Boudewijn I (837-879) zou de eerste
versterking hebben laten oprichten als verdediging tegen de invallen van
de Noormannen. Rond 879 is het Gravensteen een onderdeel van het legerkamp
van waaruit de Scheldevikingen de omgeving plunderden.
Graaf Arnulf I (889-965) liet de versterking drastisch verbouwen tot wat gezien kan worden als de eerste echte voorloper van de latere burcht. Op een met hout versterkte ophoging bevond zich een groot centraal gebouw, met verscheidene bijgebouwen, bedoeld voor onder meer de opslag van graan en andere levensmiddelen. Alle gebouwen waren uit hout vervaardigd. In de Miracula Bavonis (midden 10e eeuw) wordt het gebied "novum castellum" of nieuwe versterking genoemd. Er woonden leerbewerkers en mogelijk was er ook al een kapel.
Graaf Robrecht I de Fries (tussen 1029/1032-1093) liet de bestaande versterking drastisch ombouwen. De centrale houtbouw werd vervangen door een grote stenen donjon van 33 bij 18,8 meter, die drie verdiepingen telde. De drie grote zalen boven elkaar, de monumentale stenen trap, de lichtopeningen, de wandhaarden en de latrines beklemtonen de luxe en het comfort van die tijd. Het grote zaalgebouw, of aula, had vooral een representatieve functie. De eigenlijke grafelijke leefruimte of camera moet vlakbij gelegen hebben. Rondom bevonden zich opnieuw houten nutsgebouwen, alsook een toren.
Het geheel werd omringd door een omheining.
Tijdens een volgende bouwfase ontstond een mottekasteel,
met een kenmerkende opperhof en voorhof. Rond de stenen donjon
werd een motteheuvel gevormd met aarde afkomstig uit de rondom gegraven
slotgracht. De vroegere benedenzaal, die oorspronkelijk op de gelijkvloerse
verdieping lag, werd daardoor een kelder. Op het motteplateau bevonden zich ook
allerlei houten bijgebouwen. Een stenen poort en een stenen omheining schermden
de opperhof af van een voorhof, waar nutsgebouwen stonden. Mottekastelen waren
algemeen verspreid in de 11e en de 12e eeuw. Zo bevestigden de
edelen, en dus ook de graaf van Vlaanderen, tegenover de vorst, andere
edelen en ondergeschikten hun aanwezigheid in een bepaald gebied. Een grote
brand teisterde in 1176 het mottekasteel en de gebouwen op de voorhof.
Graaf Filips van de Elzas (1142-1191) liet op het bestaande kasteel een geheel nieuwe burcht optrekken (1180). De motteheuvel werd verhoogd en verbreed als basis voor een nieuwe reeks houten bijgebouwen. De centrale zaalconstructie werd opgetrokken tot een majestueuze donjon of Hall Keep van zowat 30 m. De poort kreeg een voorbouw en sloot aan bij een omheining met 24 uitkragende torens. Stenen van diverse kleur gaven de militaire architectuur een rijkelijke uitstraling.
Zo symboliseerde het kasteel een niet mis te verstaan teken van de grafelijke macht in het woelige Gent, en vormde het een tegenwicht tegen de hoge stenen huizen van de rijke patriciërs aan de overzijde van de Leie. Wellicht nam hij het Krak des Chevaliers als voorbeeld.
Graaf Lodewijk van Male (1330-1384) vond dat het Gravensteen hem te weinig comfort bood en verplaatste de residentiële functie naar het Hof ten Walle (het latere Prinsenhof, waar op 24 februari 1500 keizer Karel V geboren werd). Het kasteel behield wel zijn algemene bestuursfunctie in het graafschap Vlaanderen. Vanaf 1353 werd de Munt van Gent naar het kasteel overgebracht. Vanaf 1407 vond ook de Raad van Vlaanderen, het hoogste rechtscollege in het graafschap, er onderdak. De burcht werd nu ook als gevangenis gebruikt.
Het Gravensteen in de late 18e eeuw en de 19e eeuw.
Door de eeuwen heen slibden de grachten langs
het Sint-Veerleplein en de Geldmunt dicht. Op deze
opvullingen en langs een tot riool gereduceerde gracht bouwden tal van
stadslieden huizen, die het grafelijk kasteel tot omstreeks 1900 grotendeels
aan het zicht onttrokken.
Het Sint-Veerleplein is een plein in de Belgische stad Gent. Het plein wordt aan de noordkant gedomineerd door het Gravensteen. Achter de gebouwen loopt ten westen van het plein de Lieve en ten zuiden de Leie. Ten oosten ligt de wijk Patershol. Het plein is genoemd naar de heilige Pharaïldis van Gent.
De Raad bleef het kasteel gebruiken tot 1778, toen men startte met de verkoop ervan aan particulieren. Uiteindelijk was het Jean-Denis Brismaille die zich de voormalige opperhof van het Gravensteen aanschafte en liet ombouwen tot een industrieel complex. In 1807 werd een katoenspinnerij in de donjon ondergebracht, waarbij andere gebouwen dienden als huisvesting voor vijftig arbeidersgezinnen. Deze omvorming van een groot complex als het Gravensteen is kenmerkend voor de eerste industriële ontplooiing in Gent.
In de late 19e eeuw werd het Gravensteen
geherwaardeerd. Het rijk en de stad kochten het complex in diverse etappes uit
particulier bezit terug, en bij ontmantelingswerken werd zowat alles wat niet
van Doornikse steen was verwijderd. Zo kwamen de imposante resten van het
middeleeuwse kasteel tevoorschijn, en na jaren van administratieve problemen en
discussies startte in 1894 een eerste grote restauratie onder leiding
van architect Joseph de Waele. In de voetsporen van de grote Franse
restaurator Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879) opteerde hij voor een
eerder romantisch getinte interpretatie van het kasteel ten tijde van graaf
Filips van de Elzas. Heel wat details van het huidige Gravensteen, zoals de
platte daken en de vensters van het oostelijke bijgebouw, gaan echter zeker
niet terug op een reële middeleeuwse situatie.
Door de restauratie kreeg het Gravensteen echter een nieuwe
betekenis: het verwierf wereldfaam als het meest bezochte toeristische monument
van Gent, zoals bij de Wereldtentoonstelling van 1913. Hoewel het
Gravensteen gedurende de hele 20e eeuw een van de meest bezochte
monumenten in Gent bleef, had men helaas weinig aandacht voor de instandhouding
ervan. Dit leidde tot stabiliteitsproblemen en nieuw verval. Ook
wetenschappelijk gezien was het Gravensteen een van de minst bekende grote
monumenten van Noord-Europa.
Een eerste reeks opgravingen in 1951-1954 gaven een nieuwe aanzet. De nieuwe herwaardering ging definitief van start met de viering van 800 jaar Gravensteen in 1980, onder impuls van Joan Vandenhoute (1951-1981). Een diagnose van de grootste problemen leidde tot een restauratieprogramma in diverse fasen. Alle consoliderings- en restauratiewerken worden voorafgegaan door nieuw archeologisch bodem- en muuronderzoek. Tezelfdertijd zoekt de stad Gent naar nieuwe vormen voor de culturele en toeristische beleving van dit unieke Gentse monument. Zo werd begin 2002 naast het Gerechtsmuseum, dat kan bogen op een unieke verzameling dwang- en foltertuigen, ook het Wapenmuseum geopend.
Sinds begin 2009 staat de burcht opnieuw in de steigers. Vooral de omwallingsmuur was dringend aan restauratie toe. De typerende klimop verdween toen omdat die het gebouw te veel aantast. Sinds juni 2016 staat het Gravensteen voor twee derden terug in water.
De Achtersikkel is een pleintje in Gent, gelegen bij de Hoogpoort en de Biezekapeistraat, met bebouwing uitde14e en 15e eeuw. De Achtersikkel ligt op korte afstand van de Sint- Baafskathedraal. Aan het pleintje staan een bakstenen hoektoren en een ronde toren, opgetrokken uit kalkzandsteen. Bovenaan heeft de ronde toren een achthoekige stenen belvédere. De Achtersikkel dankt zijn naam aan de rijke patriciérsfamilie Van der Sickele, die lange tijd eigenaar van de gebouwen rond het pleintje was. De familie had een hoog politiek en maatschappelijk aanzien. De waterput op het pleintje wijst op hun rijkdom, want zulke luxe konden weinigen zich permitteren. Het gebouw met binnenpleintje lag aan de achterzijde van ‘De Groote Zikkele', het hoofdhuis van de familie Van der Sickele. De laatste eigenares van deze familie was Elisabeth Van der Sickele, weduwe van Jan Damman, heer van Oomberge, die de eigendom in 1544 verkocht aan Olivier Lambrechts.
Na behoord te hebben aan verschillende eigenaars, werd
Achterzikkel, die vanaf 1573 afgesplitst werd van de 'Groote Zikkele', het
refugehuis van de abdij van Ename en dit tot in 1797. Op een niet nader bepaald
tijdstip werd de binnenkoer een publiek plein, na het slopen van een voorbouw.
In de19de eeuw was het gebouw achtereenvolgens het lokaal van de
vrijmetselaarsloge Les Vrais Amis (1820-1838), van de Koninklijke Korenmaatschappij
(1855-1860), van de maatschappijen De tael is gansch het volk en het Van
Crombrugghe's Genootschap en van de vrijmetselaarsloge La Liberté (1866- 1900).
Aangekocht door de stad Gent werd het ganse complex, 'Groote Zikkele' en 'Achterzikkel‘
opnieuw verenigd, in de jaren 1900-1908 door stadsarchitect Charles van Rysselberghe
aanzienlijk verbouwd (restauratie en toevoeging van nieuwbouw) tot Muziekacademie.
Het Sint-Baafsplein is het historische hart van de stad. Het bevindt zich op een boogscheut van de plaats waar Gent is ontstaan, waar de Schelde en de Leie samenvloeien. De naam van de stad, afgeleid van het Keltische Ganda of samenvloeiing, verwijst er letterlijk naar.
Op dit centrale plein vinden belangengroepen elkaar: de
burgerij met zijn machtige Belfort, het intellect met de statige schouwburg, en
de kerk, met de indrukwekkende Sint Baafskathedraal. Geflankeerd door zijn
muzen kijkt de god Apollo van op het theatergebouw uit op het prachtige
gerenoveerde plein.
Klokke Roeland is een klok die zich sedert 1314 in Gent
bevindt en vereeuwigd is in het gelijknamige lied.
Boven Gent rijst eenzaam en grijsd
‘t Oud Belfort, zinbeeld van 't verleden.
Somber en grootsch, steeds stom en doodsch
Treurt de oude Reus op ‘t Gent van heden.
Maar soms hij rilt en eensklaps gilt.
Zijn bronzen stemme door de stede.
Trilt in uw graf, trilt Gentsche helden,
Gij Jan Hyoens, gij Artevelden.
Mijn naam is Roeland, ‘k kleppe brand.
En Luide storm in Vlaanderland!
Een bont versohiet schept ‘t bronzen lied.
Prachtig weer toov'rend mij voor de oogen.
Mijn ziel erkent het oude Gent.
‘t Volk komt gewapend toegeviogen.
‘t Land is in nood, "vrijheid of dood"
De gilden komen aangetogen.
‘k Zie Jan Hyoens, ‘k Zie d’ Artevelden.
En stormend roept Roeland de helden.
Mijn naam is Roeland, ‘k kleppe brand.
En luide storm in Viaanderland!.
O heldentoik, O reuzenvolk
O pracht en macht van vroeger dagen!
O bronzen lied, ‘k wete uw bedied.
En ik versta ‘t verwijtend klagen.
Doch wees getroost, zie ‘t oosten bloost.
En Vlaand'rens zonne gaat aan ‘t dagen.
Vlaanderen den Leeuw! Tril, oude toren.
En paar uw lied met onze koren.
Zing: ik ben Roeland, ‘k kleppe brand.
Luide triomfe in Viaanderland!
(Tekst Albrecht Rodenbrach)
In 1314 werd er een stormklok gegoten door Jan Van Ludeke en
Jan Van Roosbeke, Klokke Roeland genaamd, die in het Gentse belfort bleef
hangen tot in 1659. Toen werd ze stukgeslagen door Pieter Hemony; hij smolt
haar 12.000 pond brons om in een nieuwe beiaard van 40 kIokken.
De Gentse Grote Triomfante was de grootste basklok of Iage sol van de beiaard die Hemony goot uit de oude Roeland en in de volksmond nam hij de naam Klokke Roeland van haarvoorganger over. In 1914 werd de Iuidklok in Gent geëlektrificeerd.
Het systeem stond echter niet op punt en als gevolg van te
hevige trillingen kwam er een grote scheur in Klokke Roeland en kon die
daardoor niet meer geluid worden. In 1948 werd de kIok uit de toren gehaald en
vervangen door een nieuw exempiaar.
Klokke Roeland kreeg een plekje aan de voet van het Belfort.
In 2002 besloot men de scheur, die er inmiddels bijna 90 jaar in was, te
herstellen. Daartoe werd ze naar klokkengieterij Koninklijke Eijsbouts in het
Nederlandse gebracht. Na de herstelling verscheen ze weer op haarvertrouwde
plek.
Tussen 2009 en 2012 werd het plein heraangelegd waardoor de kIok moest verhuizen. Het vernieuwde plein beschikt over een betonnen koker waar oorspronkelijk de nieuwe Mathildisklok moest hangen. Wegens onenigheid omtrent de Mathildisklok is het echter sinds 2012 de Grote Triomfante die in de nieuwe koker op het Emile Braunplein hangt. Ze zal in de Iatere toekomst mogelijk terug in het belfort opgehangen worden en dienstdoen als beiaardklok en niet meer als Iuidklok omdat men vreest dat ze opnieuw zal barsten bij het Iuiden. De kIok die sinds 1948 in het Belfort hangt ter vervanging van de Grote Triomfante wordt soms ook Klokke Roeland genoemd. Haar officiële naam is Sint-Michielsklok en ze heeft geen relatie met de originele Klokke Roeland of de Grote Triomfante.
De Sint-Michielsbrug is een stenen boogbrug in het centrum
van de Belgische stad Gent. De brug Iigt over de Leie, aan de zuidkant van de
Graslei en de Korenlei. De huidige monumentale brug werd in de periode
1905-1909 gebouwd, na de oprichting van het postgebouw. Zowel de Sint-Michielsbrug
aIs het Oud Postgebouw zijn creaties van architect Louis Cloquet.
Het gildehuis van de Korenmeters in Vlaamse renaissance stijl en het gildehuis van de Vrije Schippers stammen uit respectievelijk 1698 en 1531. Dat schippersgilde was oppermachtig: als schippers van buiten Gent door de stad wilden varen moesten ze hun vracht overladen op Gentse boten. Dit gebruik werd in 1663 afgeschaft, waarop de ‘onvrije schippers’ in onmiddellijk hun eigen gildehuis bouwden, ‘Den Ancker’ op de Korenlei nummer 7.
Het Korenstapelhu|s of Spijker |s een gildehuls In de stad
Gent aan de Graslei.
Het is gebouwd uit een romaanse steen uit de late 12e eeuw, en daarmee een van de oudste voorbeelden van burgerlijke romaanse architectuur in de Lage Landen. Het is opgetrokken in Doornikse kalksteen. Het functioneerde tot 1734 als spijker (graanstapelplaats). Daarna deed het gebouw dienst als vergaderruimte voor de pijnders (graanlossers). In de19e eeuw geraakte het gebouw in verval, tot het in 1901-1902 werd gerestaureerd. Tegenwoordig is er een hamburger-restaurant in gevestigd.
Het gildehuis van de vrije schippers werd ontworpen door
Bernard De Wilde. Deze gevel uit 1739
bevat 2 leeuwen, dolfijnen en ankers. Op de top staat een windwijzer In de vorm
van een schip.
De Vrije Schippers was een vanaf de 16e eeuw bestaand Gents gilde van schippers. De
vrije schippers werkten voor hun eigen rekening en mochten vrijelijk de rivieren in het
Graafschap Vlaanderen zoals de Schelde
de Leie en de Lieve bevaren.
Er waren ook onvrije schippers; deze waren in loondienst en moesten hun goederen aan de rand van de stad overladen op de schepen van vrije schippers. Dat waren de enigen toestemming hadden om de Gentse binnenwateren te bevaren.
De wandeling eindigt op de Vlasmarkt waarna u nog wat vrije tijd heeft om te winkelen, een Gentse neus te proeven of een terrasje te pakken. Op een afgesproken tijdstip zal de bus ons terugbrengen naar het schip.
Dag 5 – zondag 23 augustus 2026 - Gent – Middelburg
We verlaten België en zetten koers naar Middelburg,
hoofdstad van Zeeland.
We bereiken Middelburg via Kanaal van Gent naar Terneuzen, Middensluis/ Westbuiten-haven naar de Westerschelde, Kanaal door Zuid-Beveland, Oosterschelde, Zandkreek en Veerse Meer, Sluis Veere. We komen om half twee in Middelburg aan.
We leggen aan de
Loskade, om daarna te verkassen naar Silokade.
Om half vier staat een rondrit met een treintje door Middelburg geplant.
We rijden langs de Abdij, stadspark, de Dam, Koorkerk en de
Koepoort.
De Abdij van Middelburg (Onze-Lieve-Vrouwe-abdij)
is een
voormalige abdij in Middelburg in Zeeland die
sinds 1812 het provinciehuis en sinds 1972 het Zeeuws
Museum huisvest.
Het complex ligt in het midden van de stad en bestaat uit een min of meer rond lopend gebouw met vier grote en een kleine toren en diverse poorten met in het midden een plein, het Abdijplein, met grote bomen. Onderdeel van de Abdij vormen de abdijtoren, de Lange Jan genoemd, en twee kerken, de Koorkerk en de Nieuwe Kerk.
Het Damplein
Het Damplein is een plein in de stad Middelburg. Het plein grenst in het westen aan de straten Korte Delft en de Sint Pieterstraat, aan de oostzijde loopt het plein over in de Dam. In totaal telt het plein 35 rijksmonumenten in het rijksmonumentregister. Een van de opmerkelijke monumenten aan het plein is de Gistpoort; die eigenlijk in de Sint Pieterstraat staat, maar goed te zien is vanaf het plein. Verder kijkt het Emma Monument uit over het plein.
De eenbeukige kerk dateert uit het begin van
de veertiende eeuw, maar de noordmuur bevat nog resten uit
de dertiende eeuw. Het is een eenvoudige kerk die gebouwd is in de stijl
van de Vlaamse baksteengotiek. Het interieur van de kerk is opmerkelijk
sober, maar bijzonder licht door de hoge vensters. In een van de muurnissen
ligt waarschijnlijk de Rooms-koning Willem II (gestorven
in 1256) begraven.
Prent van de restanten van het grafmonument voor Koning Willem II in de Koorkerk, vermoedelijk begin negentiende eeuw vervaardigd.
Na een brand in 1568 werd het toenmalig houten gewelf vervangen door een stenen netgewelf. Tijdens het bombardement van 17 mei 1940 werd de Koorkerk gedeeltelijk verwoest, maar na de Tweede Wereldoorlog werd hij gerestaureerd.
De acht oorspronkelijke stadspoorten waren:
- Noorddampoort (later Veersepoort) – afgebroken in 1873
- Zuiddampoort (Slijkpoort) – verschillende keren herbouwd, uiteindelijk afgebroken in 1842
- Koepoort – de enige nog volledig bewaarde poort
- Noordpoort – gesloopt in de 18e eeuw
- Seispoort – afgebroken in 1845
- Langevielepoort – gesloopt in 1865
- Vlissingsepoort (voorheen Gortstratepoort) – afgebroken in 1867
- Segeerspoort (St. Geertruidspoort) – afgebroken in 1841
- Nieuwe Poort – gebouwd rond 1860, functioneerde nooit volledig als stadspoort
Middelburg kreeg in 1217 stadsrechten, wat betekende dat de middeleeuwse nederzetting die de stad toen was het recht had om het stadsgebied door omwalling te beveiligen. Eerst legde men een aarden wal, een gracht en een palissade aan, maar later werden er ook stenen muren, torens en stadspoorten gebouwd – dat was nog veiliger. De stadspoorten hadden vaak het karakter van echte verdedigingswerken.
Ze hadden grote, zware poortdeuren, waar meestal een
kleinere toegangsdeur in zat, sluitbomen, valhekken (hameiden), schietgaten,
torentjes en ophaalbruggen. In de middeleeuwen telde Middelburg acht
stadspoorten: de Noorddampoort (later de Veersepoort), de Zuiddampoort, de
Koepoort, de Noordpoort, de Seispoort, de Langevielepoort, de Vlissingsepoort
(eerder de Gortstratepoort genaamd) en Segeerspoort of St. Geertruidspoort.
Genoemde poorten zijn goed te zien op de plattegrond die Jacob van Deventer omstreeks 1550 van de stad maakte. De strategisch gelegen poorten hadden naast een verdedigende- ook een controlerende functie - men kon goed bijhouden wie er de stad in kwam en verliet. De poorten hadden ook openings- en sluitingstijden die werden aangegeven door het luiden van de aanwezige poortklokken of anders de stadsklok; in Middelburg was dat de klok van het stadhuis.
Op 17 mei 1940 werd Middelburg getroffen door een
enorme stadsbrand als gevolg van oorlogshandelingen. Op die dag werd
het centrum van Middelburg verwoest. Van het stadhuis bleven enkel de
zwartgeblakerde muren overeind, het gehele interieur (waaronder het
stadsarchief) ging verloren. Kort na de verwoesting werd begonnen met de
wederopbouw. Men besloot om de gevels van het oude raadhuis in gotische
stijl te herstellen en een deel nieuwbouw in aangepaste stijl toe te
voegen; de neoclassicistische vleugel aan de Noordstraat werd daarbij niet
herbouwd. Onder leiding van de architecten H. van
Heeswijk en M.J.J. van Beveren werden de werkzaamheden
uitgevoerd. Op 18 augustus 1950 werd het gerestaureerde stadhuis
door koningin Juliana opnieuw in gebruik gesteld.
De historische band met de VOC is hier nog goed voelbaar.
De VOC-Kamer Zeeland, was de Zeeuwse afdeling
van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). De Kamer was
verantwoordelijk voor de uitvoering van een kwart van de activiteiten van de
VOC. In elke cyclus van acht jaar was de Kamer Zeeland twee jaar lang het
VOC-hoofdkantoor. Aan
het VOC-opperbestuur, de Heren XVII, leverde het college van Zeeland vier
bewindhebbers.
De eerste bewindhebbers van de VOC-Kamer Zeeland waren in de
volgorde, zoals zij in het octrooi van de Staten-Generaal van 20
maart 1602 genoemd worden: Andriaan Henriksz ten Haaf, Jacob Boreel, Jan
Lambrechtsz Coele, Jacob Pieteresz de Waard, Cornelis Meuninks, Adriaan
Bommenee, Laurens Bacx, Everhart Bekker, Aarnout le Clercq, Aarnout Verhoeven,
Gerard van Schoonhoven, Nicolaas Pietersz, Balthasar van Vlierden
en Balthasar de Moucheron. Vier daarvan werden afgevaardigd naar de Heren
XVII.
Huisvesting
Tot 1628 werd door de Zeeuwse kamer kantoorruimte
in Middelburg gehuurd. In mei van dat jaar kocht zij het huis Biggekercke,
aan de Rotterdamsekaai in Middelburg. Achter dit huis werd in 1630 een nieuwe
vleugel gebouwd met een grote vergaderruimte. Later werden aan deze panden
opslagruimten toegevoegd.
Het als Oost-Indisch Huis bekendstaande complex
werd in mei 1940 bij het bombardement van Middelburg onherstelbaar
beschadigd en daarna gesloopt. De voorgevel van het Middelburgse Oost-Indisch
Huis, had ongeveer dezelfde grootte en vertoonde grote gelijkenis met
het Maagdenhuis aan het Spui in Amsterdam.
In 1603 besloot het stadsbestuur van Middelburg het
binnenwater achter de Korendijk met een sluis getij-vrij te maken en dit water
tot dok in te richten. Het aangrenzend terrein werd bestemd voor werven, onder
andere voor de VOC, de WIC, de Admiraliteit van Zeeland en in de
18de eeuw de MCC.
Het jaartal 1616 op de gevelsteen in de muur van de
voormalige smederij wijst erop dat toen in ieder geval de Zeeuwse Kamer het
nieuwe werfterrein in gebruik had genomen. In de periode 1602-1794 werden door
de Kamer Zeeland bij benadering 306 schepen te water gelaten.
Terug aan boord hebben we een rustige avond. Rond tien uur
meren we af aan de Silokade.
Dag 6 – maandag 24 augustus 2026 - Middelburg – Schoonhoven
De route van Middelburg naar Schoonhoven is:
Kanaal door Walcheren, Zandkreek en Veerse Meer,
Oosterschelde, Vaarweg van het Hollandsch Diep naar de Schelde-Rijnverbinding,
Krammer en Grevelingenmeer, Nieuwe Merwede en Hollandsch Diep, Oude Maas, Boven-Rijn,
Waal, Boven-Merwede, Beneden-Merwede en Noord, Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn
en Lek.
We zijn aangemeerd aan de Oude Steiger tegenover de Veerpoort..
De oude steiger in Schoonhoven is momenteel in gebruik voor het aanmeren van cruiseschepen, ondanks de beschadiging die in mei 2024 plaatsvond bij een aanvaring van een tanker.
Vanaf twee uur kunnen we op eigengelegenheid Schoonhoven verkennen.
Via de Veerpoort komen we in het centrum van Schoonhoven. Het is maandag en helaas zijn de meeste winkels dicht. Zo ook het Zilvermuseum.
Veerpoort
Aan de Scheepmakershaven / Veerstraat staat een standbeeld van Potmolenaar – Verfmenger. Ter gelegenheid van zijn honderdjarig bestaan in 1986, gaf Hasco aan Van Ipenburg opdracht een beeld te maken dat iets laat zien van de geschiedenis van de verfindustrie. Het beeld werd door Hasco aan de gemeente Schoonhoven aangeboden en op 27 augustus 1987 onthuld door de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, Schelto Patijn. In 2002 vertrok Hasco uit Schoonhoven.
Met het zonnetje erbij maakt Schoonhoven een prettige wandeling mogelijk.
Het stadhuis van Schoonhoven is een stadhuis gelegen aan de 'Haven' in het centrum van de stad Schoonhoven, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het stadhuis bezit een 50 klokken tellend carillon. Het oorspronkelijk in gotische stijl uitgevoerde gebouw dateert uit de 15e eeuw maar werd tijdens restauraties in 1776 en 1927 sterk gewijzigd, waardoor van het oorspronkelijke karakter weinig over is.
Voor het stadhuis ligt een overkluizing en een stervormig mozaïek in het plaveisel, vermoedelijk een oude gerechtsplaats. Deze zijn net als het stadhuis aangewezen als rijks-monument.
Het postkantoor van Schoonhoven is een bouwwerk uit 1899 aan de Lopikerstraat 9 in Schoonhoven. Het post-kantoor heeft een aangebouwde (Lopikerstraat 11) directeurswoning. Het postkantoor is ontworpen in neorenaissance-stijl door Daniël Knuttel. Het gecementeerde tableau met Rijkswapen boven de vroegere ingang werd geschilderd door J.H. de Vries. Dit tableau is dus niet alleen een bouwkundig element, maar ook een kunstwerk dat deel uitmaakt van de historische en culturele waarde van het postkantoor. Voor wie het in het veld wil zien, is het belangrijk te weten dat de huidige indeling en ingang kunnen verschillen van de oorspronkelijke, maar het tableau blijft een herkenbaar historisch detail.
het is net een schilderij
Geschiedenis: De Grote of Bartholomeüskerk werd vermoedelijk in de 13e of 14e eeuw gebouwd aan de Haven. In 1354 werd in elk geval melding gemaakt van een kerk gewijd aan de apostel Bartholomeüs. Het was oorspronkelijk een kruiskerk en werd in 1658 uitgebreid tot hallenkerk en voorzien van zuilen in de Dorische stijl. Volgens een gedenksteen in de kerk werd de noordkap in 1657 geheel vernieuwd en werden de gebreken in 1658 hersteld. Na de Reformatie in de 16e eeuw werd het een protestantse kerk. De katholieken bouwden later een nieuwe eigen kerk aan de Wal, die ook naar Bartholomeüs werd vernoemd.
Het interieur van de kerk met het orgel.
De toren dateert uit de 15e eeuw. Omdat de toren in de loop der tijd steeds meer uit lood kwam te staan, werd begin 20e eeuw geopperd de toren te slopen. Uiteindelijk werd besloten de kerk en toren te restaureren. Bij de restauratie, die duurde van 1927 tot 1934, werden zestig betonpalen geslagen om omvallen van de toren te voorkomen. De toren staat sindsdien zo'n anderhalve meter uit het lood. Sinds deze restauratie heeft de kerk een zeer breed dwarsschip. Als koorafscheiding dient een renaissance-oksaal uit de 16e eeuw, dat voor de reformatie dienstdeed als koor- en orgeltribune en nadien werd verbouwd tot herenbank.
Alvorens we terugkeren naar de boot, hebben we op het terras van de Blauwe Druif nog wat gedronken.
Terug op de boot wacht ons het diner om half zeven en daarna is er een Bingo.
Helaas geen prijs voor ons. Vannacht zal de Antonio Bellucci vertrekken om naar Zaandam te
varen.
Dag 7 – dinsdag 25 augustus 2026 - Schoonhoven - Zaandam – Hoorn
De route van Schoonhoven naar Zaandam is:
Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek, Merwedekanaal , Merwedekanaal (benoorden de Lek), Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal, Afgesloten-IJ en Buiten-IJ, Zaan, Tap- of Tochtsloot, Markervaart en Alkmaardermeer.
Na een nachtelijk vertrek meren we tijdens het ontbijt aan in Zaandam.
Loopafstand vanaf de boot is 6 minuten.
Het Czaar Peterhuisje is één van de oudste houten huizen van
Nederland en het op één na oudste museum (na het Teylers Museum in Haarlem). In
dit inmiddels wereldberoemde huisje logeerde de Russische tsaar Peter de Grote
in 1697.
Het
Czaar Peterhuisje bevat een schat aan herinneringen, zoals een dodenmasker van
tsaar Peter, een buste van Anna Paulowna en portretten van tsaar Peter en
Catharina I.
In de tuin zijn beelden te zien van zowel Tsaar Peter alsmede Anna Pawlowna.
Peter de Grote
Peter I Aleksejevitsj Romanov (Moskou, 9
juni 1672 – Sint-Petersburg, 8 februari 1725),
bijgenaamd Peter de Grote was van 1682 tot zijn dood in
1725 Czaar van Rusland.
Peter was de eerste Russische Czaar die buiten de grenzen
van zijn rijk reisde. Hij zorgde vervolgens voor de modernisering van
het uitgestrekte rijk en bevorderde vooral de wetenschap. Met de stichting van
Sint-Petersburg richtte het land zich meer op West-Europa. In 1721 veranderde
hij het Czaardom Rusland in het Russische Rijk, verkreeg de
bijnaam De Grote (niet enkel omwille van zijn lengte, naar verschillende
bronnen, tussen de 201 cm en 215 cm), maar vergat een opvolger te
benoemen.
Peter hervormde het leger, de Kerk, handel, nijverheid,
onderwijs en volksgezondheid en versterkte Rusland tot een Europese grootmacht.
Hij was misschien liever admiraal geweest dan tsaar. Hij hield niet van toneel
of muziek, maar was een groot liefhebber van zeilen en schepen. Hij ging iedere
dag naar de scheepswerf; in de winter ging hij ijszeilen.
In 1698, na de Azovcampagnes, richtte hij de eerste
Russische marine op in Taganrog. Hij had daarbij de hulp van
zijn Zwitserse boezemvriend en drinkebroer François Le Fort. Het was
waarschijnlijk Le Fort, ooit in dienst op een Hollands oorlogsschip en in
Rusland tot admiraal benoemd, die voorstelde om Amsterdam te bezoeken en zich
op de hoogte te stellen van vlootbouw, bombarderen, publiciteitscampagnes en
informatie-voorziening, vestingbouw, waterwerken, geneeskunde en godsdienst.
Het doel van Peter was bondgenoten te zoeken om een
bondgenootschap tegen de Turken te bewerkstelligen.
Peter de Grote kreeg veertien kinderen bij twee vrouwen.
Daarnaast had hij een Duitse minnares, de wijnkopersdochter Anna Mons.
Zijn eerste vrouw, Eudoxia Lopoechina, liet hij opsluiten in een klooster,
omdat echtscheiding onmogelijk was. Bij haar had hij drie kinderen,
onder wie tsarevitsj Aleksej, die zich niet liet kneden naar de eisen
van zijn vader. Toen hij in 1716 naar het buitenland vluchtte, lokte zijn vader
hem terug met een onvoorwaardelijk pardon, om hem uiteindelijk toch te
berechten voor hoogverraad. Na een showproces kreeg hij de doodstraf, maar vóór
hij kon worden terechtgesteld overleed hij aan de gevolgen van
de knoetslagen waarmee hij was gemarteld. Peter kreeg elf kinderen
bij zijn tweede vrouw, Catharina I, die hij in 1712 huwde en in 1724 tot
tsarina liet kronen. Een van haar kinderen was de latere tsarina Elisabeth
I.
De Tsaar Peterroute is een historische
stadswandeling door de damstad. De route voert langs oude sluizen,
arbeidersbuurtjes en de vroeger zo wervenrijke Hogendijk met het Czaar
Peterhuisje.
Deze beeldengroep maakt deel uit van de Czaar Peter Route.
Tijdens de terug wandeling lopen door de straatjes van de Russische Buurt.
Na de lunch varen we door naar Hoorn. De avond valt wanneer
we aankomen in deze voormalige VOC-stad aan het IJsselmeer.
Dag 7 – dinsdag 25 augustus 2026 - Zaandam – Hoorn
De route van Zaandam naar Hoorn is:
Noordzeekanaal, Afgesloten-IJ en Buiten-IJ, Kustroute vanaf de Pampusgeul langs Marken en de Noord-Hollandse kust naar het Krabbersgat, Havens van Hoorn.
De Zaan richting het IJ
REM eiland. Het REM-Eiland was een platform in de Noordzee, op 9 kilometer buiten de kust van de Nederlandse plaats Noordwijk. In 1964 werden vanaf deze basis vanaf 12 augustus tot 14 december commerciële televisie-uitzendingen onder de naam TV Noordzee illegaal verzorgd. Sinds 2011 staat het REM-Eiland in de Nieuwe Houthaven in Amsterdam, en is er Newpeople en restaurant REM in gevestigd.
Voormalig Shell toren
Sinds 1919 stond op Steiger 7 het Kantoor van Koppe's Scheepsagentuur, ook wel bekend als her 'Minangkabause Huis', aan de oostkant van het Centraal Station. Het werd ontworpen door G.F. la Croix (1877-1923) als kantoor en aanlegsteiger voor de voormalige Reederij Koppe. Sinds 1960 was het in gebruik als kantoor van de scheepvaartafdeling van de NACO, de Noordhollandsche AutoCar Onderneming.
Nadat we de Willem-Alexandersluis hebben gepasseerd komen we
op het IJ-meer.
Hierbij zien we het
eiland Pampus.
Pampus (officieel Fort aan het Pampus) is een forteiland in het deel van het IJmeer dat behoort tot de gemeente Gooise Meren. Het kunstmatig eiland werd in 1887 aangelegd als onderdeel van de Stelling van Amsterdam om de vaargeul Pampus te verdedigen tegen aanvallen vanuit de Zuiderzee. "Voor pampus liggen" betekent dat iemand volledig uitgeput is, dronken is of niet meer in staat is om iets te ondernemen, en vindt zijn oorsprong in de scheepvaart rond Amsterdam. De uitdrukking stamt uit de tijd van de VOC en de 17e-eeuwse scheepvaart.
Om 11 uur staat een rondvaart met een sloep door Hoorn
gepland.
De gids verteld ons over de geschiedenis van Hoorn en brengt ons langs grachten waar je normaliter nooit kunt komen. Vanaf het water is het een bijzondere belevenis om Hoorn te verkennen.
De Hoofdtoren is een van de laatste verdedigingswerken in het Noord-Hollandse Hoorn die bewaard zijn gebleven. De toren is vernoemd naar de nabij gelegen steiger Houten Hoofd, dat reeds in 1464 gebouwd is. Sinds 1968 wordt de toren als horeca gebruikt.
Aan de zeezijde van de toren bevindt zich in een aedicula-achtige omlijsting, afgedekt met een segmentfronton, een ruimtelijk weergegeven eenhoorn als houder van het wapenschild van Hoorn. Aan weerszijden van de eenhoorn bevinden zich twee wapens. Volgens de zich onder de eenhoorn bevindende tekststeen zijn deze wapens van de vier als ‘burgemeesteren’ regerende personen in 1685, toen het ‘zeehooft’ opnieuw werd ‘gemaekt’. De tekststeen daaronder draagt de namen van de vier ‘regeerende burgemeesteren’ toen het ‘zeehooft [wederom] op nieuw gemaakt’ werd ‘in den jare 1755’.
De scheepsjongens van Bontekoe is een beeldengroep op een kademuur aan het Hoofd in Hoorn, vlak bij het Houten Hoofd en de Hoofdtoren.
Willem IJsbrantsz.
Bontekoe was schipper in dienst van de VOC in het begin van de 17de eeuw. Hij
kwam uit Hoorn.
Op zijn schip monsterden, naar het verhaal van Fabricius,
drie jongens aan voor hun eerste reis over de wereldzeeën. Hun namen waren
Rolf, Padde en Hajo. Beeldhouwer Jan van Druten kreeg in 1967 de opdracht om de
drie zeebinken in brons te maken en sindsdien turen de jongens over het water
van de haven.
Op een dag viel er aan boord van het schip van Bontekoe een kaars om op het moment dat het dagelijkse mutsje brandewijn werd geschonken. De brandewijn vloog in brand en de meeste bemanningsleden vluchtten in een sloep. Enkelen bleven achter om het vuur te blussen. De lading van het schip bestond voor een deel uit 350 vaten buskruit. Nadat het schip ontploft was, werden de kapitein en de drenkelingen door de muiters gered. Na enige tijd was er geen eten meer aan boord en werd overwogen de scheepsjongens op te eten. Net op tijd kwam land in zicht, het bleek de kust van Sumatra te zijn.
Om 12 uur vertrekt de boot naar Enkhuizen.
Dag 8 – woensdag 26 augustus 2026 - Hoorn - Enkhuizen
De route van Hoorn naar
Enkhuizen is:
Kustroute vanaf de
Pampusgeul langs Marken en de Noord-Hollandse kust naar het Krabbersgat, Buitenhaven
van Enkhuizen.
We zijn afgemeerd aan de Gependam. Op het meest zuidelijke deel van onze haven ligt vlakbij het NS-station de Gependam. Deze haven is het gehele jaar een populaire ligplaats voor de zeilende chartervloot. Ook is er ruimte voor riviercruiseschepen tot een lengte van 135 meter.
Voor vandaag is een excursie gepland om met een boot naar het Zuiderzeemuseum. Wij hebben ons daarvoor niet aangemeld. Wij hebben er de voorkeur gekozen om Enkhuizen zelf te verkennen.
Aankomst in Enkhuizen
De boot Friesland is bekend van het museum treintje
Enkhuizen – Medemblik. Er bestaat dan een keuze om terug te rijden met de
stoomtrein naar Enkhuizen of terug te varen met de veerboot Friesland.
De Antonio Bellucci ligt vlakbij het station Enkhuizen.
De Zuider- of Sint-Pancraskerk is een tweebeukige,
laatgotische hallenkerk Protestantse PKN-gemeente van Enkhuizen heeft de kerk
in gebruik voor de eredienst.
De bouw van de kerk, gewijd aan de martelaar Pancratius,
moet rond 1423 zijn begonnen, nadat in 1422 de inwoners van Enkhuizen verlof
kregen van hertog Jan van Beieren om de buitendijks gelegen kerk van het in
1421 overspoelde Oostdorp af te breken en een nieuwe kerk te bouwen binnen de
dijk. De kerk was in 1458 grotendeels voltooid; ook het onderste deel van de
toren was toen gereed. Het bovenste deel van de toren, die ±75 meter hoog is,
kwam gereed in 1524. De toren is eigendom van de burgerlijke gemeente Enkhuizen
en werd in 1992 gerestaureerd.
Doorkijkje Spoorstraat
Halverwege hebben we nog een terrasje gepakt en geïnformeerd
naar de rondvaart in Enkhuizen. Wat bleek het V.V.V.- kantoor bij de haven
regelt de verkoop van kaartjes. Een beetje teleurgesteld zijn we maar weer terug
gelopen naar de boot.
We naderen zo’n beetje het einde van de reis. Morgen komen we in Kampen aan.
Dag 9 – donderdag 27 augustus 2026 - Enkhuizen – Kampen
Dag 10 – vrijdag 28 augustus 2026 – Kampen – Wageningen.
De route van Enkhuizen naar Kampen is:
Buitenhaven van Enkhuizen, Vaarweg van Urk naar Kornwerderzand, Geldersche IJssel, Keteldiep en Ketelmeer.
We meren af aan de IJsselkade, IJsseldijk,
De IJsselkade is een straat in het centrum van de stad Kampen. Deze straat loopt evenwijdig aan de IJssel, vanaf de Buitenkade tot de Vloeddijk en de De la Sablonièrekade, waar hij in overgaat. De IJsselkade is ongeveer 1100 meter lang.
Langs de oever van de IJssel komen wat interessante beelden en een stukje historie van Kampen tegen.
De stadsbrug in Kampen vormt van oudsher de verbinding over de IJssel tussen de grondgebieden van deze Nederlandse gemeente. De historische stad is gesitueerd aan de zuidoever van de IJssel terwijl aan de IJsselmuider oeverzijde de gemeente Kampen al voor de gemeentelijke herindeling grondbezit had.
De Bovenkerk of Sint-Nicolaaskerk in de Nederlandse stad Kampen is een grote, gotische kruisbasiliek en tevens het opvallendste element in het stadsgezicht van Kampen. Tot het interieur van de kerk behoort een vroeg-renaissance koorhek, een natuurstenen kansel en een monumentaal orgel.
De kerk heeft een kerktoren en een schip met dubbele zijbeuken, een gesloten priesterkoor met kooromgang en straalkapellen. De kerk is een voorbeeld van Nederrijnse gotiek.
De Koornmarktspoort is een stadspoort in de stadsmuur van de stad Kampen en tevens de oudste. De achterzijde van de poort grenst aan de Koornmarkt, de voorzijde aan de IJssel, waar het deel uitmaakt van het beroemde Kamper IJsselfront. Voorheen was de poort wit bepleisterd maar is tegenwoordig teruggebracht in de oorspronkelijke staat.
Sculpture "de lantaarndrager" by Thomas Rodr in 1982.
De lantaarndrager is een verwijzing naar het geloof dat onlosmakelijk met deze stad en met de maker van het beeld is verbonden.
Beeldje van een jongetje dat een snoek over zijn schouder draagt. De jongen houdt in zijn rechterhand een bel.
Het verhaal gaat: Op een dag had de stadsvisser van Teterow een enorme snoek gevangen. Om deze vers aan de spoedig komende koning aan te kunnen bieden, besloot het stadsbestuur om de snoek met een bel om zijn nek terug in heet meer te zetten. De bel zou voortdurend rinkelen en zo kon de vis gemakkelijk teruggevonden worden. Zo gebeurde het.
De visser voer uit met zijn boot en zette de snoek, inclusief bel, terug in het water, voor de zekerheid maakte hij nog inkeping in zijn vissersboot - op de plek waar hij de vis in het water liet... Na deze gebeurtenis werden de Teterower burgers natuurlijk ermee bespot. Ze namen de hele zaak echter met humor op en plaatsen monument voor de snoek met de bel: De snoekfontein, 'Hechtbrunnen'.
Vandaag wordt een dag met verrassingen. Om 2 uur gaan we met een bus naar Giethoorn.
Bij 't Zwaantje stappen op in een rondvaartboot. de schipper, tevens gids, verteld ons tijdens de tocht een en ander over Giethoorn.
Giethoorn (Stellingwerfs: Gietern) is een waterstreekdorp in de kop van Overijssel, in de gemeente Steenwijkerland in de provincie Overijssel en ligt tussen Steenwijk en Meppel.
Giethoorn was tot 1973 een zelfstandige gemeente. Het ging toen samen met Wanneperveen, Blokzijl en Vollenhove deel uitmaken van de gemeente Brederwiede.
Op 1 januari 2001 fuseerden de gemeenten Brederwiede,
Steenwijk en IJsselham tot de gemeente Steenwijkerland.
Het dorp is bekend door zijn bruggetjes, waterwegen en
punters. Het wordt wel het 'Hollands Venetië' genoemd. Giethoorn is langgerekt
en bestaat uit drie buurten die steeds versprongen van elkaar liggen. In het
noorden is dat het Noordeinde, dan volgt de Middenbuurt en ten slotte het
Zuideinde. De Dorpsgracht is de centrale as van Giethoorn en eindigt in het
zuiden in het Zuideindiger Wijde.
De boerderijen en huizen zijn gescheiden door kavelsloten waarover vlonders liggen die de huispercelen verbinden. De bultrugboerderij is kenmerkend voor Giethoorn. De boerderij lijkt een bult te hebben doordat de schuur hoger is dan het woonhuis.
Door de vervening ontstonden plassen en meren. Om de turf te vervoeren groef men vaarten en sloten. Vele huizen zijn als het ware op eilandjes gebouwd, die alleen via bruggetjes te bereiken zijn. De meeste van de meer dan 176 bruggen zijn privé-eigendom.
De enige doorgaande verbinding door het oude dorp over land is een fiets- annex wandelpad dat van het Noordeinde naar het Zuideinde loopt en alleen door de Kerkweg tussen Noordeinde en Middenbuurt onderbroken wordt. Het voornaamste verkeer vindt plaats over het water. Het belangrijkste traditionele vaartuig dat hiervoor gebruikt werd, was de punter, voortbewogen met een punterboom (punteren). Tegenwoordig worden allerhande motorisch voortbewogen boten hiervoor gebruikt en wordt er nauwelijks nog gepunterd.
Nederland al weken in de ban van beeld Albert Mol. In 1958 ontketende Mol al een grote schare fans in Giethoorn wegens zijn prominente en hilarische rol in de Film Fanfare.
Nu 50 jaar later tijdens het jubileum verdiend Albert Mol in
Brons weer een hoofdrol.
Dirigent Film Fanfare. Miljoenen mensen bekeken afgelopen halve eeuw naar de
film Fanfare van Bert Haanstra. Albert Mol speelde als dirigent een belangrijke
rol in deze – grotendeels in Giethoorn opgenomen – film.
Hedendaags heeft het gebouw een andere bestemming.
Interieur café-restaurant ’t Zwaantje in Giethoorn. Het café doet met z’n interieur eer aan zijn naam. Gelijk een museum.
Na het genot van een kopje koffie of thee met appeltaart stappen we weer in de bus voor de terugtocht naar de boot, waar we om 7 uur een Galadiner hebben ter afsluiting van onze reis met Antonio Bellucci.
Maar voordat we aan het diner kunnen, worden we getrakteerd op een afscheidscocktail in de Lounge.
Om half elf gaan de trossen los voor een tocht naar
Wageningen, voor wat de boottocht betreft,
het laatste stuk.
Mede doordat het waterpeil in de IJssel nog steeds te laag is, is de route via de Flevopolders, richting Amsterdam en het Amsterdam-Rijnkanaal de enige optie.
Bij aankomst in Wageningen worden de koffers door het personeel van de Antonio Bellucci op de kade gezet.
De bus van Bak Reizen is ter plaatsen om zowel de koffers als de deelnemers in de bus te krijgen. Voordat we naar Uitgeest afreizen, krijgen we nog een lunch aangeboden.
Deze zal plaatsvinden bij het restaurant “De Bosrand” in de Lage Vuursche.
We vervolgen onze rit richting Uitgeest. Daar wacht de taxi die ons thuis zal brengen.
Over het geheel genomen kunnen we spreken over een zeer
geslaagde reis.
Veel gezien, veel gegeten, met wat kilootjes aangekomen. Nu
maar zien wat 2027 ons te bieden heeft voor een reis avontuur.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten