donderdag 9 mei 2019

Hortus Bulborum




Donderdag 25 april 2019 zijn we naar Limmen geweest. 



Door de Historische Kring Velsen was een excursie georganiseerd naar de Hortus-Bulborum te Limmen.
Hortus-Bulborum staat bekend om het telen van historische soorten bloembollen. Deze dateren van ver vóór 1990.




Allereerst werden we ontvangen door de voorzitter van de Stichting Oud-Limmen. Onder het genot van een kopje koffie, vertelt hij over de activiteiten van de Stichting en het onderkomen aan de Schoolweg 1. Het voorhuis diende als school en het achterhuis als bewoning. Ook heeft het nog een korte tijd gediend als onderkomen voor de plaatselijke brandweer. Na verloop van de tijd kreeg de brandweer een eigen onderkomen en werd de school overgedragen aan de Stichting Oud Limmen. De in slechte staat verkerende 2 schoollokalen zijn door vrijwilligers omgetoverd tot een multifunctioneel gebouw en verbonden aan het naastgelegen pand van stichting Oud Limmen. Het gebouw wordt gebruikt voor tentoonstellingen, lezingen, bier proeflokaal, vergaderruimte, bollenmuseum en expositieruimte.


De Stichting Oud Limmen en de Oude School maken deel uit van de Museale Hoek, een samenwerkingsverband met de Protestante kerk en de Hortus Bulborum, deze samenwerking is gestart in 2016. Het gebouw is geheel verbouwd. Het gebouw dateert uit 1862 en heeft respectievelijk dienst gedaan als school, badhuis, consultatiebureau en brandweerkazerne.
De huidige tentoonstelling bestaat uit foto’s en attributen betreffende de verkiezing van de Bollen- koninginnen in de afgelopen jaren.




Na deze uiteenzetting zijn we naar de Hortus Bulborum gegaan, waar we in twee groepen werden gesplitst. Onder leiding van de gids werden ons het verhaal gedaan over het ontstaan van de Hortus.


De Hortus Bulborum in Limmen heeft als enige tuin ter wereld een collectie van historische voorjaarsbolgewassen. Ruim 4500 verschillende soorten tulpen, narcissen, hyacinten, krokussen en fritillaria's tonen in het voorjaar hun prachtige kleuren.

Het unieke aan deze tuin is dat er honderden soorten bloembollen staan die dateren van ver vóór 1990, die niet of nauwelijks nog commercieel gekweekt worden. De oudste soorten stammen uit de zestiende eeuw, zoals de Fritillaria Persica uit 1577. Ook legendarische tulpen als "Duc van Tol, Red and Yellow"uit 1595, de "Zomerschoon" uit 1620- razend populair tijdens de tulpenmania- en de grillige parkiettulp "Perfecta"uit 1750 zijn nog steeds te bewonderen.
 





De Hortus Bulborum, waarvan de basis in 1924 werd gelegd door de Limmer schoolmeester Pieter Boschman, geeft een interessant overzicht van de ontwikkeling door de eeuwen heen van deze grenzeloos populaire voorjaarsbloemen.
Na vier jaar is de tuin vol. Boschman komt bij toeval in contact met de vermaarde hyacintenveredelaar Dr. W.E. de Mol uit Amsterdam. De Mol is leraar aan een HBS, en werkte later onder meer aan Columbia University in de Verenigde Staten. Ook hij beschikt over een bijzondere collectie bolgewassen: historische hyacinten van na 1830. De Mol kampt eveneens met ruimtegebrek. Boschman en De Mol richten in 1928 de Hortus Bulborum op. Boschman’s jeugdvriend Nicolaas Blokker, inmiddels bollenkweker en exporteur, biedt hen aan de collectie op een perceeltje van zijn landerijen op te planten. Ze grijpen het aanbod met beide handen aan. 
Daarmee is de Hortus Bulborum een feit. Als de firma Van Hof & Blokker ruim zestig jaar later naar Heiloo verhuist, volgt de Hortus Bulborum zijn genereuze ‘gastheer’. In 1988 wordt de stichting Hortus Bulborum uitgenodigd deel te nemen in de Stichting Nationale Plantencollectie, een instelling waarin onder meer alle academische plantencollecties samenwerken. Die uitnodiging is een pluim op de hoed van al die vrijwilligers die de tuin en de collectie al decennialang onderhouden. Vijf jaar later keren de bollen terug naar haar geboortegrond; naar de akkers die net als de voormalige oude openbare school vlakbij het kerkje liggen.



Hier krijgt de Hortus Bulborum voor het eerst in zijn bestaan een eigen plek, compleet met monumentaal entreehek en bollenschuur annex informatiecentrum.


Dit bronzen beeld staat bij de ingang van de Hortus Bulbolrum. Het is vervaardigd door Pim Hieselaar uit Driehuis. Het is ter gelegenheid van de opening van de Hortus Bulborum op 7 april 2011 door de KAVB (Koninklijke Vereeniging voor Bloemenbollencultuur) aangeboden.
(Bron: website Hortus Bulborum – www.hortus-bulborum.nl)








Na de uitgebreide uitleg over de bollenteelt in de Hortus Bulborum gaan we naar het naastgelegen gebouw ‘Ons Huis’. Daar werden een goede lunch voorgeschoteld. Het gebouw wordt door de kerk o.m. gebruikt voor het aanbieden van de kerkgangers, na afloop van de dienst, een kopje koffie te drinken en andere activiteiten te ontwikkelen. Het gebruikt voor vergaderingen en bijeenkomsten.
Aansluitend daarop gingen naar Protestantse Kerk Limmen. Het kerkje is gebouwd op een strandwal. De strandwal begint ongeveer bij Limmen en loopt door tot Alkmaar. De eerste vermelding van de kerk te “Limbon” is van voor 800 n.c. en maakt Limmen een van de oudste dorpen van Noord-Kennemerland. Het was van oorsprong een Katholieke kerk. Tijdens de 80-jarige oorlog werd Limmen geplunderd en gedeeltelijk verwoest. Na het ontzet van Alkmaar (1573) kwam de kerk in Protestante handen. De ruïnes werden slechts gedeeltelijk hersteld.


 
Naast de kerk bevindt zich een aanbouw met een grafkelder van de familie Du Peyrou. Binnen in de kerk hangt het grafmonument van Anna Maria Du Peyrou. Volgens overlevering bleek het te groot te zijn om in de grafkelder en heeft men het in de kerk aangebracht.














In de kerk bevindt zich een prachtig orgel uit 1877. Het is gebouwd door de beroemde orgelbouwer Pieter Roes (1812 – 1889) en in 1995 door Flentrop orgelbouw grondig gerestaureerd.











Voorts zijn er een tweetal rouwborden te bezichtigen.




Links is het rouwbord voor Jacobus du Peyrou en rechts het rouwbord voor zijn zoon Jacob Jan du Peyrou.












In de jaren 1722 – 1731 zijn een groot aantal heerlijkheden verkocht.  Zo ook aan Jacob Du Peyrou Janz, kolonel der Schutterij van Amsterdam. Hij betaalde 13.400 gulden en werd daarmee tevens Heer van Limmen. Hij ging wonen in het eeuwenoude statige landhuis Dampegheest, gelegen in het verlengde van de huidige Dampegheestlaan.



In een ruimte naast de kerkzaal staat de oude klok die de wijzers aanstuurden van de toren. Tegenwoordig wordt de tijd aangestuurd door radiografie met behulp van satellieten.
De oude klok dateert uit 1934 en een elektrische opwinding en is gemaakt door klokkengieterij Eijsbouts.


 















In de kerk is een rijk uitgevoerde kansel. De preekstoel dateert uit de laat 17e eeuw. Uit die tijd stamt ook het doophek met de doopboog.


Op de algemene begraafplaats zijn een tweetal oorlogsgraven te vinden. Op 9 september 1944 stort een bommenwerper neer bij Limmen. De tweetal inzittenden kwamen hierbij om het leven. Het betreffen hier Flying Officier Herbert Reginald Tribbeck, oud 28 jaar en Flying Officier Warren Robert Zeller, oud 25 jaar. Mogelijkerwijze is het vliegtuig neergehaald  door Duits afweer-geschut, maar aangezien er op hetzelfde moment sprake was van een zware onweersbui, is het ook mogelijk dat het toestel door de bliksem is getroffen. Het ‘Monument voor de Britse Piloten’ bestaat uit een gehavende propeller en twee grafzerken van natuursteen.

Na de rondleiding rondom en in de kerk is dat tevens het einde van de excursie.

Hierna volgt een korte impressie van de bloemen die bij de Hortus Bulborum te bezichtigen zijn.

 



































vrijdag 9 november 2018

Veenhhuizen 2018


Van Leiden naar de kolonie Weldadigheid in Drenthe.

Hendrik MARTIJN, van beroep lakenwever, sjouwer, arbeider, schrobbelaar, kolonist, geboren te Leiden, gedoopt (Hervormd) op zondag 17 maart 1793 te Leiden, Hooglandsche kerk, overleden op donderdag 13 maart 1873 om 04.00 uur te Leiden, in de Kaarsenmakersstraat op 79-jarige leeftijd. Van het overlijden is aangifte gedaan op 13-03-1873 door Samuel Koppeschaar, oud 76 jaar, zonder beroep, wonende te Leiden in de Kaarsenmakersstraat en Fredrik Moonen, oud 60 jaar, zonder beroep, wonende te Leiden, in de Kaarsenmakersstraat, beide bekende van de overledene. Is analfabeet.
Zoon van Michiel MARTIJN, van beroep opperman en Fijtje (Sophia) THOMASSEN.

Gehuwd op 21-jarige leeftijd op vrijdag 24 juni 1814 te Leiden (getuige(n): Nicolaas Stiva, oud 22 jaar, Lakenmaker, wonende op de Uiterstegracht, Jacobus van den Ouneele, oud 64 jaar, sjouwer, wonende in de Baatstraat, Hendrik van den Ouneele, oud 26 jaar, sjouwer, wonende in de Baatstraat en Jacobus Lefebre, verkoper van naalden en spellen, wonende op de Hogewoerd, welke na gedane voorlezing, benevens de contracterende partijen hebben verklaard niet te kunnen schrijven) met Maria BLANSJAAR (BLANSCHAERT), 24 jaar oud, van beroep spinster, arbeidster, geboren op zaterdag 24 april 1790 te Leiden, gedoopt op maandag 26 april 1790 te Leiden, overleden op maandag 9 januari 1865 om 11.00 uur te Steenwijkerwold, in de kolonie Willemsoord op 74-jarige leeftijd. Van het overlijden is aangifte gedaan op 11-06-1865 door Petrus Constantinus van Rijp, oud 68 jaar, zonder beroep en Leendert den Ouden, oud 27 jaar, van beroep arbeider, beide wonende in Steenwijkerwold. Is analfabeet, dochter van Karel BLANSJAAR (BLANSCHAERT), van beroep lakenwever, en Johanna LEFEBRE.

Uit dit huwelijk:
1.         Machiel MARTIJN
2.         Anna MARTIJN
3.         Maria MARTIJN
4.         Johanna MARTIJN
5.         Hendrik MARTIJN .
6.         Sophia MARTIJN
7.         Karel MARTIJN
8.         Maria MARTIJN
9.         Willem MARTIJN

De familie Martijn is opgezonden naar Drenthe naar de (Maatschappij van Weldadigheid).

Registers
Men kan zich de bevolkingsadministratie van de Maatschappij van Weldadigheid het best voorstellen als een lange rij bevolkings- of inschrijvingsregisters naast elkaar. Eén groot register, waar alle bewoners van de Maatschappij samen in staan, bestaat niet.

De bewoners van de Maatschappij waren in categorieën ingedeeld, zoals onder meer kolonistengezinnen, wezen, vondelingen, bedelaars en veteranen. Elke groep had zijn eigen register. Zodoende werd men in het bevolkingsregister ingeschreven van de categorie waartoe men volgens de maatstaven van de Maatschappij behoorde.

In het inschrijvingsregister voor veroordeelde bedelaars en vrijwilligers vinden we de familie Martijn terug. [archief Rijkswerkinrichting Veenhuizen en Ommerschans inv. nr. 424 deel CDE fiche 4+]

Maatschappij van Weldadigheid
Bedelaarskolonie de Ommerschans kwam voort uit een initiatief van generaal Johannes van den Bosch (1780-1844). Hij richtte in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid op, om de armoedige volksklasse van Nederland te helpen door "arbeid, onderwijs en onderhoud te verstrekken en hen tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid op te heffen". Hij stichtte landbouwkoloniën in afgelegen gebieden in Oost-Nederland om armen te werk te stellen. 


Voor de probleemgevallen afkomstig uit de zogenoemde vrije kolonies richtte de Maatschappij in 1819 een strafkolonie in bij de voormalige Ommerschans, in 1822 gevolgd door Veenhuizen. Daarnaast werd in de Ommerschans in 1820 een bedelaarsgesticht geopend in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter. Het immense gebouw bood plaats aan duizend kolonisten, waarbij (al dan niet getrouwde) mannen en vrouwen strikt van elkaar gescheiden werden. Later breidde de Ommerschans uit tot 2.000 bewoners. De paupers konden door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontgonnen het land, dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht werd gegeven. 

Zo kwamen er zeventien boerenbedrijven in de omgeving tot stand. Naast ontginningswerkzaamheden was er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telde onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij.

"Wie niet werkt, zal niet eten"
In de praktijk bleek het stelsel moeizaam te functioneren. Eenmaal in de kolonie was de weg terug naar de maatschappij voor velen een hopeloze onderneming. Het werk was loodzwaar, de verdiensten minimaal, het rantsoen gebrekkig en de medische situatie uiterst belabberd. Het basisprincipe "wie niet werkt, zal niet eten" werd tamelijk letterlijk nagevolgd. 


Zieken en zwakken moesten het stellen met één warme maaltijd per dag. Het sterftecijfer op de schans bedroeg meer dan 50 op de duizend inwoners. Tientallen mensen zaten onschuldig in de kolonie gevangen, omdat ze ten onrechte voor bedelaar waren aangezien. Pas vanaf 1843 was een rechterlijke veroordeling voor verwijzing naar de bedelaarskolonie noodzakelijk.

Gebrek aan perspectief
De erbarmelijke situatie was de Maatschappij van Weldadigheid slechts ten dele aan te rekenen. Lokale overheden en regionale tuchthuizen stuurden massaal invalide bewoners naar Ommen, die niet in staat waren te werken. Vanaf 1827 gold de Ommerschans formeel ook als verpleeginstelling. Meer dan 60% van de populatie was (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. De Ommerschans werd een vergaarbak voor iedereen die in de samenleving niet kon meekomen. 


Voor de vrijgelaten bewoners was er intussen weinig perspectief op werk en inkomen, zodat velen na verloop van tijd terugkeerden. Uiteindelijk nam het Rijk in 1859, na aanhoudende financiële problemen, het beheer van de Maatschappij van Weldadigheid over. De kolonie werd in 1890 definitief ontmanteld. Aan de rand van het gebied ging men met een opvoedingsgesticht voor ontspoorde jongens verder, een voorloper van de huidige TBS-instelling Veldzicht in Balkbrug. Ironisch genoeg is het kerkhof vrijwel het enige wat van de Ommerschans resteert. Hier liggen ruim 5.400 kolonisten onder vermelding van hun registratienummer begraven. De dodenakker vormt het tastbare bewijs dat de experimentele bedelaarskolonie op een mislukking was uitgelopen.

Inschrijvingen in het register van Veenhuizen




De familie Martijn is op 19 februari 1826 ingeschreven. Hendrik Martijn is onder nummer 1906 ingeschreven. Maria Blansjaar is onder nummer 1907 ingeschreven.

Hendrik Martijn, geboren 13-03-1793
Maria Blansjaar,  geboren 24-04-1790
Overleden: nee
Kinderen: 4
Opzending: 19-02-1826
Desertie: nee
Burg.staat: G
Gebroken gezin :
Naar: Veenhuizen
Straf: 0
Leger: Ja
Geloof:
Stamboeknr: 706
Ontslagen: 22-01-1831
Staat opzending:
Overleden: nee
Kinderen: 4
Opzending: 19-02-1826
Desertie: nee
Burg.staat: G
Gebroken gezin:
Naar: Veenhuizen
Straf: 0
Leger: nee
Geloof:
Stamboeknr: 707
Ontslagen: 27-06-1833
Staat opzending:



In het inschrijvingsregister wordt ook een signalement bijgehouden.

Hendrik Martijn
Maria Blansjaar
Lang: 5 Voet 2 duim
Aangezicht: lang
Voorhoofd: rond
Ogen: bruin
Neus: ordinair (normaal)
Mond: idem
Kin: breed
Haar: donkerbruin
Wenkbrauwen: idem
Merkbare tekenen: een hart getatoeëerd op de linker arm
Lang: 5 Voet
Aangezicht: rond
Voorhoofd: rond
Ogen: blauw
Neus: ordinair (normaal)
Mond: idem
Kin: rond
Haar: lichtbruin
Wenkbrauwen: idem
Merkbare tekenen: geen



Hendrik Martijn treedt in Militaire Dienst op 22 januari 1831.

Hendrik Martijn en Maria Blansjaar worden opnieuw ingeschreven bij de Maatschappij van Weldadigheid in Drenthe. Dit op eigen verzoek (zie brief Sub. Commissie Leiden)


Hendrik Martijn, geboren op 13-08-1793; plaats van herkomst: Leiden; godsdienst: herv.; aangekomen op 12-05-1837; ingeschreven in Willemsoord als kolonistenvader.
Ingeschreven als wonende op hoeve: 124 (inv.nr. 1361); 28 (inv.nr. 1361); 131 (inv.nr. 1362); 141 (inv.nr. 1362); 37 (inv.nr. 3013); 37 (inv.nr. 3014); 12 (inv.nr. 3015); 24 (inv.nr. 3015); 37 (inv.nr. 3015).

Bijzonderheden:
Is kolonist, van de Subcom Leiden, vervanging H.Onvlee, uit de contrib.
Op aankomstdatum geplaatst in kolonie III, Willemsoord.
Op 29-03-1838 als arbeidershuisgezin naar Veenhuizen I, nr.63.
Op 18-04-1843 terug naar Willemsoord.
Gehuwd met Maria Blansjaar, geboren 24-04-1790 te Leiden en overleden op 09-01-1865.

Maria Blansjaar, geboren op 24-04-1790; plaats van herkomst: Leiden; godsdienst: herv.; aangekomen op 12-05-1837; ingeschreven in Willemsoord als kolonistenmoeder; overleden op 09-01-1865.
Ingeschreven als wonende op hoeve: 124 (inv.nr. 1361); 28 (inv.nr. 1361); 131 (inv.nr. 1362); 141 (inv.nr. 1362); 37 (inv.nr. 3013); 37 (inv.nr. 3014); 12 (inv.nr. 3015); 37 (inv.nr. 3015).


 

 

                                 Brief Sub. Commissie Leiden december 1836
 
tekst brief

Kopij Extract



                   Leijden den 19 December 1836
                   9 Januari 1837 N 25 in advies
                   naden 21 April 1837 N 11


                   Wij hebbende eer der Perm. Commissie bij
                   dezen te antwoorden op hare twee
                   missiven de dato 9 dezer door te zenden
                   1 Ad missive, etc
                   2 Ad missive van den dag N3a, een
                   bewijs van vrijwillig vertrekken naar
                   de  Koloniën van den voorgedragenen
                   kolonist H. Martijn en dezelfs
                   huisvrouw Maria Blansjaar benevens
                   den verlang der staat volgens
                   model A van het reglement voor de
                   subcommissien: waarbij wij het volledigst
                   getuigenis kunnen geven van
                   's mans geschiktheid voor veld arbeid
                   ons verheugende over het vertragen der vorst
                   herinneren wij den P.C. aan
                   het dagelijks verwacht wordende
                   winterweder.

                          Wij zien de nadere etc. en hebben
                          de een ons te vernemen.

                         Namens de Leydsche subcommissie
                         Johannes Tiberius Bodel Nijenhuis
                         Voor Extract  Conform
                         Secretaris van de Permanente
                         Commissie der Maatschappij van
                         Weldadigheid

        Aan de Perm. Comm.
        Der staats van
 


Kolonie III Willemsoord aangekomen op 12-05-1837
 
In 1820 kocht de Maatschappij van Weldadigheid in Steenwijkerwold in de provincie Overijssel heidevelden aan. Daar legde zij de vrije Kolonie Willemsoord aan, 14 kilometer en dus ongeveer twee uur stappen ten zuidwesten van de proefkolonie Frederiksoord. In Willemsoord kon de Maatschappij planmatig te werk gaan, omdat ze nauwelijks rekening hield met de bestaande infrastructuur van heidepaden. Er kwam een lintbebouwing van bijna honderd hoeves.

Inschrijving Hoeve 124 (12-05-1837 tot 29-03-1838) – huisje is afgebroken
Willemsoord
Amsterdamselaan



 Kolonie VI Veenhuizen I, nr.63. 

Op 29-03-1838 wordt het gezin als arbeidershuisgezin naar Veenhuizen I, nr. 63 overgeplaatst, dit op eigen verzoek. Zie brief hieronder.

 Inschrijving Veenhuizen 1e Gesticht op 29-03-1838


Brief verzoek om vrijwillig overgeplaatst te worden naar Veenhuizen als arbeidersgezin.

Aan het begin van de 19de eeuw bestond de buurtschap Veenhuizen uit zeven hoeves en een kerkhof. Daaromheen lagen akkers en boomgaarden, en in het rivierdal hooi- en weilanden. Via zandwegen en paden kon de plek vanuit de nabijgelegen dorpen worden bereikt, maar door hoogveen en natte heide was het gebied moeilijk begaanbaar. De inwoners weidden er schapen, staken turf en verbouwden boekweit.

In 1822 kocht de Maatschappij van Weldadigheid de buurtschap en veengronden van Veenhuizen en de eerste kolonisten maakten de landerijen klaar voor agrarisch gebruik. Uit het hoogveen staken ze turf en van minder venige lagen brandden ze de toplaag af, tot aan het onderliggende zand. Vervolgens werden de percelen geploegd en zo geschikt gemaakt als bouw- of bosland. Van alle Koloniën van Weldadigheid was deze tweede onvrije Kolonie de meest ambitieuze, onder meer door de bouw van drie grote gestichten.

In 1859 nam de Nederlandse rijksoverheid het gebied met zijn toentertijd 10.000 inwoners over en veranderde de Kolonie gaandeweg in een strafinrichting. Veenhuizen werd een “gevangenisdorp” voor landlopers en bedelaars – in de Maatschappijtijd woonden er ook wezen en weduwen – en later voor gedetineerden. Het dorp functioneerde min of meer zelfstandig dankzij de landbouw en de vele werkplaatsen.

Op 18-04-1843 komt het gezin terug naar Willemsoord.
Inschrijving Hoeve 131 (18-04-1843 tot 13-03-1845)
Willemsoord
Amsterdamselaan 4






Inschrijving Hoeve 141 (13-03-1845 tot  08-10-1846)
Noordwolde (Steggerda)
Westvierdeparten 3
 




Inschrijving Hoeve 37 (09-10-1846  tot 24-05-1862)
Willemsoord
Steenwijkerweg 198






Inschrijving Hoeve oud 12 nieuw 275 (25-05-1862 tot 17-09-1864)
Willemsoord
Steenwijkerweg 189





 
Inschrijving Hoeve oud 24 nieuw 287
(17-09-1864 tot 18 -03-1865)
Willemsoord
Steenwijkwerweg 177

Maria Blansjaar is overleden op 09-01-1865)










Van Google maps, de rode dotjes geven aan waar de huisjes hebben gestaan.



Hendrik Martijn is na het overlijden van Maria Blansjaar teruggegaan naar Leiden, waar hij op 13-03-1873 is overleden.